Pennywise
Datum: Haarlem, 31-12-2025
Auteur: Martijn Mense
Aan het eind van het jaar is het een goede (?) gewoonte om terug te kijken en vooruit te kijken. In de afgelopen jaren heeft de ambtshalve toetsing van (oneerlijke) bedingen in consumentenovereenkomsten een aardige vlucht genomen. Opvallend is dat onderwerpen die de wetgever na veel gedoe geprobeerd heeft te regelen alsnog onderuit gehaald worden door de rechterlijke macht en daarmee weer geproblematiseerd worden. Met name het onderwerp buitengerechtelijke incassokosten is weer in alle hevigheid besprongen door de rechtelijke macht waarbij er allerlei manieren worden bedacht om die kosten geheel of gedeeltelijk af te wijzen, ook als het om zakelijke partijen gaat.
Een ander onderwerp dat op de korrel ligt, is de proceskostenveroordeling. De rechterlijke macht heeft bedacht dat een beding dat er op neer komt dat alle gerechtelijke kosten voor rekening van een tekortschietende partij komen oneerlijk zou zijn. Aangezien ‘alle kosten’ vatbaar is voor uitleg had de rechterlijke macht het kunnen beperken tot de observatie dat waar die kosten niet op voorhand vast zijn gesteld het begrip ‘alle kosten’ op de geliquideerde kosten als bedoeld in artikel 237 Rv bepaald kunnen worden.
Dat zou natuurlijk te makkelijk zijn. De Hoge Raad (zie https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1081) legde de volgende bepaling voor aan het Hof van Justitie van De Europese Unie (HvJEU) met de vraag of bij vernietiging van dit beding een partij terug kan vallen op de wettelijke regeling:
‘Alle voor de uitvoering van deze overeenkomst gemaakte kosten, waaronder begrepen administratiekosten, alsook alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, die verhuurder maakt in geval van niet nakoming van enige bepaling van deze overeenkomst of de wet door huurder, zijn voor rekening van huurder’.
Opmerking verdient dat de huurder die zijn verplichtingen na komt nooit te maken zal krijgen met deze bepaling. Nu hebben rechters zelden werk aan partijen die hun afspraken na komen, maar dat betekent niet dat deze groep geheel buiten beschouwing gelaten kan worden.
In de voorgelegde bepaling hoeft, afgezien van de woorden ‘administratiekosten’ en ‘alle’, geen afwijking van de wettelijke regelingen, die (vreemd genoeg) niet als oneerlijk aangemerkt kunnen worden, gelezen te worden. De kosten worden namelijk niet in de overeengekomen regeling vastgesteld. Met de wettelijke regelingen (artikel 6:96 lid 6 BW en artikel 237 Rv) kan die vaststelling gedaan worden. Waar het ook zelden over gaat, is dat de grootste kostenpost bij geliquideerde kosten het griffierecht is (de griffierechten gaan in 2026 uiteraard weer omhoog, zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-39855.html#d17e145).
Opmerking verdient daarnaast dat ongeacht de hoedanigheid van de (tekortschietende) partij de partij die een beroep doet op een proceskostenbeding doorgaans van een koude kermis thuis komt. Een volledige proceskostenveroordeling komt in de praktijk zelden voor en dan slechts waar geoordeeld wordt dat een partij onrechtmatig procedeerde (zie https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Een gedaagde kan overigens nooit onrechtmatig procederen nu de onrechtmatigheid gelegen is in het instellen van een vordering en niet in het voeren van verweer (en dat is maar goed ook).
Kortom: de rechtspraak probeert een dode letter nog doder te maken. De vraag is wie of wat hier precies mee geholpen is.
Maar de geest is uit de fles nu als het eenmaal in één rechtszaal is gebeurd het overal kan en zal gebeuren, of zoals Jonathan Swift het uitdrukte: ‘[i]t is a maxim among these lawyers, that whatever hath been done before may legally be done again: and therefore they take special care to record all the decisions formerly made against common justice and the general reason of mankind. These, under the name of precedents, they produce as authorities, to justify the most iniquitous opinions; and the judges never fail of decreeing accordingly.’
Wie hier niet mee geholpen is, is de partij die zijn afspraken wél na komt. Proceskosten worden nu eenmaal gemaakt en als de tekortschietende partij die niet hoeft te betalen dan betaalt de nakomende partij die, doorgaans in de vorm van prijsstijgingen of aanboduitval.
Een rechtbank begint steeds vaker te lijken op een bakkerswinkel waarbij de bakker eerst vraagt aan de klant of hij niet zelf een brood kan bakken en als dat niet werkt geen brood verkoopt. Voor dit soort verkeerde zuinigheid is al vrij snel geen markt meer.
Martijn Mense, advocaat te Haarlem